LONGREAD

Ik vind het opwindend als een landschap de overblijfselen toont van voorbije tijden. Een wal, een terp, een wiel in een dijk. Het zijn de bakens van mijn verbeelding: de nieuwe omgeving denk ik weg en de historische details denk ik erbij. In mijn woonplaats Dar es Salaam zijn veel bakens. Het verleden voelt dichtbij. Of liever gezegd: dit ís het verleden. De geschiedenis is nu; morgen is alles anders. Ik zuig dus alles in me op. Ik kijk om me heen alsof het de laatste keer is dat ik ze zie: de bomen, de koloniale huizen, de open stukken land langs Ocean Road, de vissers, de handkarren, de onverharde wegen, de overstekende kippen en de grazende koeien. En vooral de veerpont, die over de brede riviermonding naar de overkant vaart.

De overkant is Kigamboni. Officieel een deel van de stad, maar in de praktijk een andere wereld. Kigamboni is landelijk, groen en dunbevolkt. Veel mensen leven er nog zoals zij dat honderd jaar geleden deden. Het zijn vissers en kleine boeren die cassave, kokosnoten, bananen en mango’s telen. Een andere bron van inkomsten is chokaa, kalk, dat als bouwmateriaal voor huizen wordt gebruikt en gewonnen wordt uit koraal. Maar hoelang zal dit alles nog bestaan? Vanuit Dar es Salaam rukt de ontwikkeling op. Het aantal inwoners groeit, de bebouwing neemt toe en met de massa komen ook de handelaars, de straatverkopers, de bedelaars, de reclameborden en de taxi’s. Steeds wordt een nieuw stukje van de onverharde weg naar het zuiden geasfalteerd. Tussen het groen langs de weg schiet overal het grijs op van huizen in aanbouw. Het gaat razendsnel. De kokospalmen die twee jaar geleden nog vrij langs de kustweg groeiden, staan nu gevangen tussen muren. De palmen zijn aangekruist, de percelen afgezet, het is wachten op de invulling.

Een vaste verbinding tussen Dar es Salaam en Kigamboni is er niet. Een brug zou voor de hand liggen, want de afstand tussen de twee werelden is hemelsbreed maar driehonderd meter. Over een brug wordt ook wel gesproken – al dertig jaar zelfs – maar in Tanzania heeft alles zijn eigen tempo. Tot op de dag van vandaag bestaat de enige directe verbinding uit twee verroeste veerponten, de Mv Kigamboni en de Mv Alina. De Mv Alina kan 400 passagiers per keer overzetten, de Mv Kigamboni 800. Samen vervoeren zij dagelijks dertigduizend passagiers van noord naar zuid, van zuid naar noord. Als logge, gepantserde, prehistorische dieren zwenken ze over de rivier. Het is voortgang, maar geen vooruitgang. Het is beweging, maar het is stilstand. Schitterende stilstand, dat wel.

 

De mensen

De aanlegplaats op de noordoever is het brandpunt van de stad. Uit alle windrichtingen stromen mensen samen naar deze plaats. Eerst mogen de auto’s aan boord, dan de voetgangers. Het is een adembenemend schouwspel. Twee zusjes in glanzende blauwe jurken. Een backpacker in vodden. Een jongedame in potloodspijkerbroek op naaldhakken. Twee vrouwen met een gezichtssluier. Een oude man met een rood Egyptisch hoedje, een fez. Mannen in kostuumbroek en overhemd. Een vrouw met op haar rug een kind, gewikkeld in een kleurrijke kanga. Een jongen op houten krukken. De vaste monteur van de pont, in overall. Een groepje scholieren in uniform. Een albino met een rossige baard en een witte lap om zijn hoofd tegen de zon. Overal is kleur en beweging. Boven de menigte wobbelt een groene teil met gele bananen. De vrouw die hem op haar hoofd draagt, is onzichtbaar.

Ook de fietsers zijn een bezienswaardigheid, althans hun fietsen en hun vracht. Een bakfiets met zakken aardappels. Een fiets met aan weerszijden van de bagagedrager rieten manden met groene sinaasappels, en een derde, platte mand erbovenop. Een fiets opgetuigd met honderden lege jerrycans en plastic flessen. Een fietser die op zijn bagagedrager vierkante eierkartonnen heeft opgestapeld, wel een meter hoog. Waarschijnlijk een lid van de Wakuria-stam uit Musoma. Zij hebben zich met hun kippen in het zuidwesten van Dar es Salaam gevestigd en voorzien de hele stad van eieren.

Op de boot vullen voetgangers de kleine ruimten tussen de auto’s op. De voetgangers: arme Tanzanianen. De automobilisten: ministers, welgestelde families en expats in SUV’s. In het dagelijks leven zullen zij elkaar nooit ontmoeten, maar voor de duur van de overtocht zijn zij buren, slechts door autoruiten van elkaar gescheiden.

 

De oversteek

De oversteek is mooi. Aan de ene kant kijk je uit over de skyline van Dar es Salaam. Aan de andere kant zie je de monding van de rivier, met daarachter de Indische Oceaan. Weer twee werelden vol contrast.

Zo zie ik tijdens de oversteek een man in een uitgeholde boomstam. Hij heeft een peddel en een visnet en hij dobbert midden op de rivier. Ik vind het mooi en onbegrijpelijk. Dar es Salaam is een wereldstad, en dan zit er plotseling een visser in een uitgeholde boomstam in de haven. Een halve slag draaien en je ziet op zee containerschepen liggen wachten op een plekje in de haven. Hun kolossale vierkante vormen doorsnijden de membraan tussen water en lucht. In hetzelfde kader varen dhows, de houten zeilboten die al duizenden jaren voor de kust van Oost-Afrika zeilen. Met hun driehoekige zeilen en organische uiterlijk zijn het net prehistorische vogels. De containerschepen liggen stil, de dhows bewegen.

Aan de zuidkant van de kreek – de eufemistische koosnaam voor de brede riviermonding – liggen houten dhows aan elkaar afgemeerd. Aan de verfresten te zien waren ze ooit vrolijk gekleurd. Tanzaniaanse jongetjes springen lachend van de boten in het water. Een zittende man repareert zijn lichtblauwe visnetten op het strand. Dit vind ik nu zo mooi aan Dar es Salaam: dat gerommel rond dat water. Het liefst zou ik mee gaan rommelen: Swahili leren, samen met de kinderen vanaf een boot in het water springen, vuurtjes stoken, visnetten repareren. Blote voeten in het zand.

Ik geniet van elke seconde van de overtocht. Ik weet dat het voor mijn pontgenoten een ramp is om dagelijks met de ferry te moeten reizen, vooral in het hete seizoen en in het regenseizoen (en dan blijven er maar een paar maanden over) maar ik houd van het uitzicht, van de sfeer, van de gemoedelijke mensen om me heen. Je ziet altijd iets nieuws, je maakt altijd iets mee. De ferry is voor mij avontuur en vrijheid. Het is de toegangspoort tot het ongerepte Kigamboni, en vooral tot de plaatsen verder naar het zuiden, die nog écht ongerept zijn. Met de ferry laat ik de stad achter me. Met de ferry ben ik weer even de backpacker van weleer.

 

De toekomst

Voor de honderdduizenden inwoners van de zuidkant is de ferry een noodzakelijk oponthoud, net zoiets als in de file staan. Het is maar zeer de vraag of zij oog hebben voor de schoonheid van de omgeving. De pont is voor hen een levensader. Zonder de pont hadden zij 36 kilometer moeten omrijden om hun cassave, houtskool, kokosnoten, melkflessen en bananen naar de markt te brengen. Zonder de pont waren ze opgesloten geweest in het tropische paradijsje Kigamboni.

Wellicht krijgen ze het in de toekomst iets makkelijker. De verroeste veerponten worden vervangen. Al in 2006 heeft de overheid een nieuwe veerpont besteld: een gevaarte van meer dan zeventig meter met een capaciteit van 60 auto’s en 2000 voetgangers. Ik stel me er een soort drijvende brug bij voor. Eind mei 2008 moet ze afgeleverd worden, maar volgens de geruchten gaat dat niet lukken omdat er onderdelen vastzitten in de haven. In Tanzania heeft alles zijn eigen tempo. Maar de nieuwe veerpont zal er komen.

En de brug? In het verkiezingsprogramma van 2005 stond dat de brug in deze regeringsperiode werkelijkheid zal worden. Begin dit jaar verklaarde de overheid zelfs dat de bouw zal beginnen vóór 2010. Als deze belofte wordt ingelost, kan de brug op zijn vroegst in 2013 klaar zijn. Maar daarmee worden de aanlegplaatsen van de ferry nog geen bakens uit het verleden. De overheid is eigenaar van de pont: ze zou wel gek zijn om het lucratieve veer op te doeken. Veel interessanter is het om van de brug een tolbrug te maken en hem een stuk zuidelijker te leggen dan het veer. De Kigamboni ferry blijft dus bestaan. Dagelijks blijven de ponten heen en weer gaan. Van noord naar zuid, van zuid naar noord.

Gepubliceerd in Passionate Magazine onder de titel ‘Van noord naar zuid, van zuid naar noord’, augustus 2008. De opdracht was om een stuk te schrijven over een plaats in Dar es Salaam waar veel mensen samenkomen. Dit is een iets gewijzigde versie.